februari 2014 - 5 vragen aan

Ingrid Ipenburg: Moeders willen betrokken zijn bij de digitale ontwikkeling van hun kinderen

Ingrid Ipenburg is leerkracht op basisschool Op Dreef in de Utrechtse wijk Overvecht internetsafetyen is daar contactpersoon voor ouders. Een moeder, Mahjouba, benaderde haar tijdens een Ouderinloop met de vraag naar computerlessen. Het luidde het begin in van een bijzonder en tegelijkertijd laagdrempelig project.

1. Op 25 februari 2014 kwamen 12 moeders bijeen op de basisschool Op Dreef in Overvecht. Waarom?
‘Het waren 12 enthousiaste moeders die belangstelling hebben voor het leren van digitale vaardigheden. We inventariseerden wat zij willen leren en wat er aangeboden kan worden. Het gaat om 10 moeders met een Marokkaanse achtergrond en een moeder van Senegalese en een van Thaise afkomst. De 12 moeders zijn geworven door Mahjouba  die met haar vraag bij mij kwam. Wij willen met de Ouderinloop, naast het geven van voorlichting, ook de ouders motiveren om zoveel mogelijk zelfstandig te regelen. Het was een voorwaarde om verder te gaan.’

2. Vanuit welke behoefte ontstond de vraag van de moeders?
‘De moeders zeggen “Mijn kind weet meer over computers dan ik en ik raak de grip op mijn kind daardoor kwijt.” De kinderen zijn er zo handig mee en de moeders weten niet wat ze op de computers doen. Ze willen via de computergeschiedenis zien welke sites hun kinderen bezoeken. En hoe doe je dat? Maar ze zeggen ook: “Ik wil mijn kind helpen met de huiswerkopdrachten op de computer, en ik kan dat niet.” De vraag is ook privé gemotiveerd. Ze willen zelf bankzaken kunnen regelen, ze hebben vragen over veilig internetten en daarnaast vraagt de overheid van haar burgers vaak dat ze digitaal vaardig zijn, en dat zijn deze vrouwen niet allemaal.’

3. Hoe gaat Op Dreef dat aanpakken?
‘We hebben eerst met de moeders overlegd en toen besloten om een contract te maken dat ze ondertekenen. In het contract staan de regels waarmee zij akkoord zijn gegaan. Zoals op tijd komen, de ziekmelding, dat ze zelf voor de oppas zorgen en niet de school. Het contract is bedoeld om vrijblijvendheid te voorkomen. Je start de cursus en maakt die af. Hoewel ik denk dat  deze vrouwen erg gemotiveerd zijn. De vrouwen kozen om de lessen op school te volgen. Ze brengen en halen hun kinderen hier op. De school voelt vertrouwd en vormt daardoor een laagdrempelige plek.’

4. Hoe gaan de lessen eruit zien?
‘Er bestaan niveauverschillen tussen de moeders en de behoeftes zijn divers. Sommigen zijn wel digitaal vaardig, maar zijn bang dat ze de computers stuk maken en willen meer over de techniek weten, anderen willen hun kennis weer ophalen, ze opdreefhebben kinderen gekregen en hebben de digitale ontwikkelingen niet meer bijgehouden. Weer anderen hebben amper digitale vaardigheden. De vrouwen kunnen elkaar helpen en ondersteunen. Mogelijk gaan 2 moeders een korte cursus volgen om de anderen te ondersteunen. Mira Media heeft ons in contact gebracht met het Werkbedrijf dat in Overvecht het project Computerwijk uitovert. Met vrijwillige docenten van Computerwijk gaan wij 21 lessen aanbieden tegen een geringe vergoeding. Een vervolgopdracht zal zijn het indienen van een subsidieaanvraag bij de gemeente. Twee moeders vullen hiervoor de aanvraagformulieren in en zullen die gaan toelichten op het wijkbureau.’

5. Wat is het belang van dit project?
‘Het eerste belang is dat ouders proberen met de tijd en hun kinderen mee te groeien. Er is een soort generatiekloof ontstaan en zij willen hun kinderen kunnen bijhouden. Bovendien brengt het een stukje zelfstandigheid voor de vrouwen zelf. Een moeder zei: “Als mijn man het niet meer kan, dan moet ik de bankzaken zelf kunnen regelen.” Verder willen ze hun kinderen beschermen. Hun kinderen beschikken over al die digitale vaardigheden, maar daar zitten ook risico’s aan vast. Het is ook leuk voor de kinderen als ze zien dat hun moeders aan het leren zijn. Tot slot laat dit project zien dat deze vrouwen zich wel degelijk proberen te ontwikkelen. Dat zij betrokken willen zijn bij de opvoeding en scholing van hun kinderen en bij hun digitale ontwikkeling.’