'Het spanningsveld tussen de online en offline wereld'

2 juni 2017

jun17-nikieleveld
Stichting Art.1 Midden Nederland (MN) is het antidiscriminatiebureau van de regio Midden Nederland. Aandacht voor digitaal burgerschap is belangrijk, zegt Niki Eleveld, educatief medewerker bij Art.1 MN. Omdat beeldvorming, waarheidsvinding en meningsuiting nu grotendeels online plaatsvindt. Maar voor het vakgebied van Art. 1 MN heeft dat ook nog wat haken en ogen. Want online pesten en discriminatie bijvoorbeeld blijkt moeilijker te duiden dan de offline tegenhanger.

'In brede zin gaat burgerschap over hoe je respectvol met elkaar en met verschillen tussen mensen omgaat. Wanneer is een situatie, een mening of een uiting discriminerend en wanneer niet? Wij krijgen regelmatig vragen hierover. Dit geldt ook voor online discriminatie en cyberpesten. Het gaat hierbij eigenlijk om digitaal burgerschap en de online dimensie van (on)gelijke behandeling.' Maar de online dimensie roept ook nieuwe vragen op, zegt Niki Eleveld van Art. 1 MN. Hebben uitingen of het internet hetzelfde gewicht als uitingen in een face-to-facegesprek? Het digitale component van burgerschap krijgt nog geen structurele aandacht in de voorlichting van Art.1 MN. Geconfronteerd met vragen uit het veld wil de organisatie dit veranderen en is daarom in gesprek met o.a. Mira Media.

Spanningsveld
'Wij merken dat de online en offline wereld door elkaar heen lopen. Er is online en offline interactie. In onze voorlichtingen kijken we met leerlingen en docenten naar verschillende situaties en vragen over de offline wereld, maar de online dimensie moet hier ook zeker aan bod komen. Het is een spanningsveld waar we regelmatig vragen over krijgen, en zelf zoeken hoe hier mee om te gaan.'
Want hoewel de online en offline wereld elkaar be´nvloeden, bestaat er toch verschil, ziet Eleveld. Online pesten of discriminatie kan onduidelijker zijn dan offline discriminatie. 'Ongelijke behandeling online is soms moeilijker te peilen. Bij een face to face-interactie is ongelijke behandeling meer aanwijsbaar door de vragen die er gesteld wordt en het gedrag dat iemand laat zien. Men kan offline beter inschatten wat art.1-vrijemening1de context van een uiting is: een grap of een belediging? Verder zijn er zo tegenwoordig zo veel berichten over belediging en discriminatie online dat het voor antidiscriminatiebureaus moeilijk is om structureel op deze meldingen te reageren.' 

Grapje of serieus?
Eleveld co÷rdineert als educatief medewerker de voorlichtingen op scholen. Pesten is een van de onderwerpen die hierbij aan bod komt. Ze merkt dat scholen vaker vragen stellen over hoe om te gaan met de online wereld van leerlingen. Docenten signaleren cyberpesten, maar ze weten niet altijd hoe te reageren. Gaat het om een grapje of is het serieus? 'In het "echte" leven, voel je sneller aan wat de bedoeling is van een uiting. Als je iemand niet goed kent online en je maakt hezelfde grapje, kan het verkeerd vallen. Leerlingen zijn zich hier niet altijd van bewust.'
Bij pesten hanteren scholen regels, maar voor de online wereld? 'Die regels lijken afwezig als jongeren whatsappen of op Facebook zijn. Meningen worden snel gedeeld zonder directe consequenties, maar met een blijvend effect op de degene waar de acties op gericht zijn.' In de voorlichting van Art. 1 MN krijgt het online aspect aandacht, zegt Eleveld. 'Maar dit zou nog beter kunnen. Hoe bescherm je je privacy en veiligheid online? Wat is jouw verantwoordelijkheid in de online samenleving? Dat zijn gesprekken die we meer willen voeren met klassen.'

Docenten
Digitaal burgerschap moet zich niet alleen op de leerlingen richten, maar ook op de docent, vindt Eleveld. 'Wij zien bij docenten een handelingsverlegenheid: In hoeverre moeten wij bezig zijn met de online wereld van de leerlingen?' Onderzoek laat verder zien dat docenten moeite kunnen hebben om maatschappelijk gevoelige onderwerpen zoals internationale politiek of aanslagen te bespreken in de klas. 'Burgerschap is niet alleen in de klas, maar ook online van belang. Waar haalt iemand zijn informatie vandaan? Internet heeft duistere plekken waar vreemde dingen gezegd wordt over allerlei zaken. Hoe ga je als docent en leerling daarmee om? Beeldvorming en waarheidsvinding online zijn themaĺs waar we steeds meer  aandacht aan moeten besteden.ĺ

Stereotypering
Een ander thema waarmee Art.1 MN zich bezighoudt en wat raakt aan digitaal burgerschap is stereotypering, offline Ún online. Stereotypering is een van de onderliggende structuren van discriminatie en kan sterk be´nvloed worden door representatie in de media. 'We gebruiken tijdens de voorlichting voorbeelden uit de media om de leerlingen bewuster te maken hoe mediarepresentatie je be´nvloedt.' Eleveld merkt dat de beeldvorming van leerlingen sterk wordt bepaald door social algoritmenmedia. Ze hebben sterke meningen over het Palestina-IsraŰlconflict, of over groepen als homoseksuelen en moslims. 'Ik vraag de jongeren waar ze die kennis vandaan halen. Hebben ze vrienden die islamitisch zijn? Of homoseksueel? De leerlingen noemen dan Dumpert, YouTube, Facebook of online fora als hun bron. Dan kom je in een ander gesprek. Want wat je op internet ziet, is niet altijd een betrouwbare weerspiegeling van de offline wereld. Jongeren beseffen niet dat de algoritmen op social media bepalen wat ze te zien krijgen. Daar moeten we het gesprek over aangaan.'
In de voorlichtingen wil Eleveld mediawijsheid nog verder integreren in het bestaande aanbod. 'De wereld van de jongeren verandert. Het verschuift naar de digitale wereld. Wij moeten mee veranderen.'

Wijkorganisaties
Eleveld erkent dat Art.1 MN nog zoekende is wanneer het gaat om de invulling van digitaal burgerschap in al hun educatieve activiteiten. Art.1 MN werkt al met verschillende stedelijke en wijkorganisaties samen wanneer het gaat om sensitiviteitstraining. Samenwerking met (wijk)organisaties is van belang ook in deze zoektocht. 'Want je wilt zo veel mogelijk aspecten van de leefwereld van jongeren meenemen in de burgerschapsvorming. De leefwereld van jongeren omvat niet alleen de school, maar ook thuis en de wijk. Die drie leefwerelden moeten bijeenkomen zodat ÚÚn lijn getrokken kan worden. We zijn daarom in gesprek met andere organisaties, waaronder Mira Media, om gezamenlijk op te trekken en aandacht te besteden aan digitaal burgerschap.'

Art. 1 MN behandelt meldingen van discriminatie, geeft advies aan gemeente en professionals en geeft voorlichting op onderwijsinstellingen over vooroordelen, uitsluiting en discriminatie.



 

 

 

 

 

« terug