'Overheid moet financieel kader geven voor digitale wijkhulp'

12 december 2018

18dec-wdnevinozutok
Nevin Özütok (GroenLinks) en Attje Kuiken (Pvda) dienden dit najaar, met brede steun van de Kamer, 'motie 15' in. De motie vraagt staatssecretaris Knops om te bekijken hoe 'digitale wijkhulp' het beste vormgegeven en gewaarborgd kan worden, en de Kamer daarover voor de zomer te rapporteren. Özütok: '[...] juist voor kwetsbare mensen is goede en toegankelijke overheidsdienstverlening van groot belang.'

Bij de behandeling van de motie In de Tweede Kamer wees Nevin Özütok erop dat burgers in de 'participatiesamenleving' steeds meer zelf moeten doen. Maar, kan iedereen wel meedoen, vraagt het Tweedekamerlid zich af. 'De digitalisering speelt hierbij ook een belangrijke rol. Voor hoogopgeleide biedt digitalisering grote kansen, maar voor grote groepen mensen die niet zo digitaal vaardig zijn en voor wie benodigde voorzieningen minder makkelijk toegankelijk zijn, is het juist een extra drempel.' Daarom vraagt Özütok samen met Kuiken om een toegankelijkheidstoets bij nieuw beleid om te kijken wat zo'n voorstel betekent voor de toegankelijkheid van de overheid. Attje Kuiken pleit voor 'mensen van vlees en bloed' die mensen helpen die er niet uitkomen in de digitale dienstverlening: een digitale wijkhulp. Vijf vragen aan Nevin Özütok over motie 15.

1. Wat is de aanleiding voor de motie?
'Wat ik zie bij de digitalisering van de dienstverlening van de overheid is dat de informatie technisch en juridisch in elkaar zit. De positie van de burger komt daardoor niet altijd goed uit de verf. Ik heb altijd gehamerd op de toegankelijkheid van de informatievoorziening van de overheid. Dus nu ook bij de digitalisering ervan. De digitalisering helpt de overheid om haar eigen processen doelmatiger en efficiënter te maken. Dat gaat ook om kostenbesparing. Ik vind dat er altijd een analoge dienstverlening aanwezig moet zijn voor de mensen die niet mee kunnen komen in de digitale slag die de overheid aan het maken is. Aan de andere kant moet je mensen ook faciliteiten aanbieden om het wel bij te kunnen benen. Dit is een verplichting als je als overheid je relatie met de burger en het werkproces verandert. Je moet als digitale overheid dan zorgen dat de dienstverlening voor de burger optimaal blijft.'

2. Voor wie is de digitale wijkhulp bedoeld?
'Je hebt drie typen mensen wanneer het gaat om digitalisering. Mensen die het kunnen, mensen die niet willen en niet kunnen - ook voor hen moet analoge informatie beschikbaar blijven - en dan heb je mensen die met wat hulp en contact wel verder kunnen komen. Het aanvragen van een DigiD lukt ook niet bij iedereen in een keer. Mensen raken er gefrustreerd van dat ze geen grip krijgen op de dienstverlening. Daarom is het belangrijk dat er hulp op maat komt voor deze mensen. Een soort vraagbaak waar mensen met bijvoorbeeld hun laptop terecht kunnen om vragen te stellen en hulp te krijgen. Het gaat niet om een helpdesk, maar om live contact, een persoon. Deze digitale wijkhulp kan iemand zijn die uit één plek opereert of mobiel is. Het zou de bibliotheek kunnen zijn, maar ook sociale ondernemers. De invulling laat ik over aan de gemeente en het maatschappelijk veld van de gemeente. De gemeenten weten zelf goed hoe die vorm te geven. En ik hoop ook dat ze hun bewoners hierbij betrekken.'

3. De motie is algemeen gericht. De kwetsbare groepen worden niet expliciet genoemd.
'De motie is algemeen richt, en niet zozeer op kwetsbare groepen als ouderen. De kwetsbaren zijn breder dan alleen de groep ouderen, er is bijvoorbeeld ook een groep allochtone vrouwen die niet meekomt en moeite heeft met de digitale overheid. De motie wil zich dan ook niet beperken door het noemen van specifieke groepen. Anders beperk je de doelgroep ook voor "Den Haag". We hebben daarom de motie breed gelaten. De specifieke invulling van de digitale wijkhulp kan lokaal gebeuren.'

4. De invulling van de 'digitale wijkhulp' wordt aan de gemeente overgelaten. Waar blijft de overheid?
'Ik wil dat die mogelijkheid er juist is voor de gemeente in het kader van de digitaliseringslag die de overheid aan het maken is. Ik wil niet dat die toegankelijkheidseis vergeten wordt en het afhankelijk wordt van al dan niet een besparing op de begroting. De toegankelijkheid moet aan de voorkant geregeld worden. De overheid moet een financieel kader geven. Het liefst moet er vanuit Den Haag middelen meekomen voor gemeenten.'

5. Is de motie niet te vrijblijvend? Hoe meet je de effectiviteit?
'Dit is wel een beleidswijziging, het gaat om aandacht voor de burger. De staatssecretaris vond deze motie niet nodig. Het was de opdracht van de Kamer om dit te regelen. Het digitale informatiesysteem moet toegankelijk zijn voor de burger. Want soms ligt het niet alleen aan het wel of niet kunnen van de burger, dan ligt het aan het digitale systeem zelf. Natuurlijk wordt het plan gemonitord, maar de gemeente gaan zelf beleid hierop maken. Je kunt als overheid geen eisen daaraan stellen want dan ga je op de stoel van de gemeente zitten. De overheid moet het de gemeenten mogelijk maken om de toegankelijkheid van de digitale dienstverlening te vergroten. De Wet Digitalisering komt nog aan de orde in de Tweede Kamer en dan zal ik deze motie weer te berde brengen. De effectiviteitsvraag leg ik bij de gemeente. Hoe dit uitpakt? We doen iets nieuws al doende leert men.'
 

« terug